In tram 5 ging Woedman de dag daarop naar de door Mies van der Rohe ontworpen Villa Tugendhat.
De kuipjesstoelen in het rijtuig waren voorzien van een stukje vloerbedekking, zoals je die op Britse luchthavens aantrof.
Alleen moest je er hier niet overheen lopen maar op gaan zitten. Na twee haltes nam een meisje in hotpants naast hem plaats.
Ze had dikke benen, een mobieltje in haar linker- en een rode riem in haar rechterhand.
Aan het andere uiteinde van de riem bevond zich een pitbull met een ijzeren korf rond zijn bek.
De hond keek hem aan met een donkerbruin en een lichtblauw oog. De tram reed een heuvel op.
Bij het opstaan waakte Woedman ervoor niet op de testikels van de liggende pitbull te trappen.
De vouwdeuren maakten een zuigend geluid alsof de tram hem weer wilde opslokken in plaats van hem naar buiten te persen.
Het zonlicht verblindde hem een ogenblik, even was hij alle oriëntatie kwijt.
Toen liep hij met tastende tred de straat in waar de villa volgens de stadsplattegrond zou moeten liggen.
Meteen toen hij het huis zag wist hij dat zich daarbinnen iets waarachtigs schuilhield, wellicht het antwoord op al zijn vragen,
inclusief die vragen zelf. Niet dat de slechts zichtbare voorkant een verpletterende indruk maakte. Integendeel.
Achter een roestig hekwerk dat tot aan Woedmans heupen reikte strekte zich een laag, horizontaal vlak
uit van op verschillende plaatsen gescheurd wit pleisterwerk. Een met oranje grondverf bedekte regenpijp
vormde een verticaal langs een ijzeren deur. Een smalle strook van glas, door drie grijze staafjes onderverdeeld
in vier raampjes, oogde als een schietgat. De vierkante tegels van beton waarop de voorgevel rustte waren slordig gevoegd.
Al met al een afwerend en weinig verfijnd geheel. En toch was Woedman ervan overtuigd dat zich achter die rechthoekige
burchtmuur een wonder van raffinement bevond waar alles op z’n plaats viel, alles de juiste maten en verhoudingen had,
waar alles klopte.
Er verscheen een vrouw met een zonnebril waarvan de glazen zich uitstrekten tot de haargrens. Op al zijn vragen antwoordde
ze met een bars ‘no’ en vervolgens keerde ze hem de rug toe. Het hek bleef dicht. Hij had zich laten afschrikken door die
chagrijnige schildwacht. Hij was weer eens iemand geweest die eerder een stap achteruit deed dan ergens op afstormde.
Iemand die ‘ach, laat maar’ zei in plaats van ‘dat pik ik zomaar niet’. Terwijl hij juist was weggegaan van Bebel om dat
laatste in de praktijk te brengen. En dus bleef hij na kort met zichzelf beraadslaagd te hebben koppig staan voor de villa,
net zolang tot nog andere nieuwsgierigen zich bij hem voegden en de vrouw met de buitenmaatse zonnebril opnieuw verscheen.
De rondleiding was alleen in het Tsjechisch. Woedman besefte nu pas goed dat de woorden hier niet langer blokjes zeep waren
die je kon oppakken en waarmee je jezelf kon schoonwassen. In dit land was taal voor hem gelei, vormeloos en glibberig.
Maar deze wetenschap vergrootte juist de kristalheldere schoonheid van alles wat hij zag in de villa. Voordat ze naar binnen
gingen, betraden ze kortstondig het terras dat je via de voorkant kon bereiken. Daardoor werd meteen duidelijk dat de gesloten
voorkant slechts één woonlaag had terwijl de achterkant uit meerdere verdiepingen bestond, die zich gul naar een halfrond gazon
toekeerden, dat beter bijgehouden was dan de villa zelf. Wat krijg je als je een laag fort met een hoge serre kruist? dacht
Woedman. Wat krijg je als je rechthoekige stenen loslaat op een glooiende heuvel?
De woning had geen drempels. De deuren en de kasten van palissander reikten tot aan het plafond. De strengheid van die
rechthoekige vlakken werd getemperd door de haast wulpse vlamnerven van het hout. Ook tussen de vierkante vloertegels van
travertijn en de sierlijk gebogen chromen klinken vond zo’n wonderlijke kruisbestuiving plaats. In de badkamer opnieuw een
variant van dit verhaal: de kromming van de kraanhalzen vermenigvuldigde zich in en met de reusachtige rechthoek van een
spiegel die de hele lengte van het vertrek besloeg, met als resultaat een humanistische geometrie. Het was alsof Mies van
der Rohe de bevindingen van Gregor Mendel, de grondlegger van de genetica, in architectonische principes had vertaald.
Ze daalden een trap af, een halve cirkel geaccentueerd door een chromen leuning, en kwamen in een ruimte met een halfronde
houten wand die grensde aan een deur. Het was zuivere meetkunde met een uitgesproken erotische uitstraling. Sensueel streng.
De paradox tot ruimte verheven. Woedman was lyrisch. Zelfs de vochtplekken die hij af en toe waarnam konden deze idylle niet
verstoren. Na nog een wenteltrap presenteerde de belangrijkste en grootste verdieping zich in al haar luister. Ze bestond uit
vier vertrekken die als communicerende vaten met elkaar verbonden waren. Geen deuren, maar halfronde wanden van gemarmerd
Makassaars ebben of van onyx, waarachter een mahoniehouten eettafel, een vergaderruimte of een bibliotheek: deels verscholen,
deels de wereld toegewend. En daarnaast, daarvoor, daarachter, daartussen strekte zich de enorme woonkamer uit: open, vloeiend,
transparant, grenzeloos, gewichtloos haast door de gigantische glazen wand van de vloer tot aan het plafond en over de gehele
lengte van de verdieping. Woedman paste de lengte af met zijn passen en mat 25 meter terwijl hij van het panorama genoot.
De halve cirkel van de tuin (ook die deed mee!), de torens van de stad in het dal en op een andere heuvel de contrapunt van
Villa Tugendhat: de steenklomp van kasteel Spilberk met zijn kerkers en martelkamers van ruwe baksteen.
Ook in de woonkamer werd de stelling ‘les extrèmes se touchent’ meer dan overtuigend bewezen. Door de glazen wand werd buiten
binnen, en binnen buiten, in tegenstelling tot de bovenste verdieping aan de straatkant, die zich als een bunker manifesteerde.
Het slordig geplakte matwitte linoleum op de vloer liet zich evenzeer tegenspreken als aanvullen door de zilveren glans van de
met chroom beklede pilaren. Het kostbare en haast kitscherige materiaal van de halfronde wanden werd aanvaardbaar door de eenvoud
van de vormen. Hier heerste een nagenoeg frivole functionaliteit, die Woedman al eerder had aangetroffen in Brno, maar dan in de
nevenschikking van strakke communistische huurkazernes en sierlijke panden uit de belle époque. Zelfs de vleugel met zijn
bochtige vormen vertelde dit verhaal en riep het beeld op van de lussen die de talrijke tramrails in Brno maakten.
In deze villa te mogen wonen leek Woedman het grootste geluk dat denkbaar was. Hier was huisje-boompje-beestje niet langer
een bedreiging maar een uitdaging. Hier kon je je een reiziger wanen zonder je huis te hoeven verlaten. Hier kon je
probleemloos in harmonie zijn met jezelf en je omgeving. Verzaligd keek hij om zich heen. De gids liep voor hem langs en bleef
staan aan de rand van een donker tapijt dat harmonieerde met de zwarte stroken van de gordijnen. De bezoekers schoven nu ook
door zijn gezichtsveld. Nu pas zag hij hoe meedogenloos mooi het meisje was dat hij tot nu toe slechts vluchtig had waargenomen.
Ze had bruinrood haar dat in een staartje was gebundeld. De ellebogen, de neusvleugels, de wenkbrauwen en de lippen leken door
Mies van de Rohe te zijn ontworpen: schitterend gesneden vormen van een beheerste uitbundigheid. De heupen en de kuiten in de
strakke spijkerbroek schenen alle halfronde vormen in de villa zelfs te bespotten. Af en toe vertoonden zich boogvormige
marmerwitte voortanden als onverzettelijke bakens in het albasten gelaat.
De gids drukte nu op een knop, waardoor een gedeelte van de glazen wand naar beneden gleed en volledig in de vloer verdween.
Maar dat haalde het niet bij het T-shirt dat Woedman in gedachten naar boven zag gaan om de perfecte welving van de borsten te
onthullen. Godverdomme, mompelde Woedman. Dit mobiele monument van vlees en bloed begon zijn geluksgevoel te ondermijnen.
Hij slaagde er niet meer in zich te concentreren op het harmonische lijnenspel van de villa. Het chroom glansde met minder
bewijskracht en hij zag nu vooral de roest- en de vochtplekken, de scheuren in het linoleum. In plaats van zich te laven aan
de rondingen en de vlakken van de door de architect ontworpen meubels probeerde hij wanhopig oogcontact te krijgen met het meisje.
Toen dat niet lukte en hij pijnsteken begon te krijgen van de aanblik van die smaragdgroene ogen onder de jugendstil wimpers,
ging hij achter haar staan. De schouderbladen, de rugholte, de billen, mijn god, dit was allemaal zo genadeloos volmaakt,
zo goddelijk geproportioneerd dat de meest virtuoze schepping van de meest bevlogen architect hierbij verschrompelde.
Als een dwaas liep Woedman achter het meisje aan toen de rondleiding was afgelopen. Het staartje danste uitdagend rond haar nek.
Moest hij haar staande houden om haar blik op zich gericht te krijgen, haar aanspreken om te horen of haar stem net zo
majesteitelijk was als de mond waardoor die werd voortgebracht?
Uiteindelijk zag hij haar wegglippen in tram 5. Hij had haar laten gaan omdat hij geen andere keus had. Ze was immers de
belichaming van de onbereikbaarheid, een abstractie van vlees en bloed, een luchtspiegeling van huid en haar. Bij een kiosk
kocht hij een pakje Petra dat hij ’s avonds in zijn hotelkamer voor de helft oprookte. Bij elke nieuwe sigaret die hij aanstak
stelde hij zich voor hoe hij Villa Tugendhat in brand stak. En elke keer dat hij rook uitblies zag hij de smeulende puinhopen
van het huis voor zich. Maar telkens als hij de sigaret in de asbak uitdrukte rees het gebouw weer als een mausoleum voor hem
op.